Een jaar later,

en we zijn tien landen, een baan, een premaster, een nieuw thuis en een tijdschrift verder. Het jaar 2012 mocht er best wel wezen.

Mijn backpack ligt vol stof onder mijn bed. De duizenden foto’s staan op een harde schijf te wachten om in een fotoboek gestopt te worden. En mijn hoofd is nog steeds vol verhalen, herinneringen en momenten van die reis die opeens over was. Elke dag glipt er wel eentje voorbij, en verschijnt er een onwaarschijnlijk grote glimlach op mijn gezicht.             .

Toen was ik weer alleen
Op 2 juni dit jaar werden we door een lading thuisblijvers verwelkomd. Ze stonden daar met boterhammen met hagelslag, mijn geliefde knuffelbeer, een vriendinnetje op een stokje, stroopwafels en spandoeken. Maar toen moest ik weer afscheid nemen. Van Chris.

Het was gezellig de afgelopen zes maanden. We bellen!’, zeiden we nuchter.

De eerste nachten waren vreemd. Slapend in een bed waar je niet voor hoeft te betalen. Een kamer die je niet hoeft te delen. En geen loodzware tas meer op mijn rug, al haal ik ‘m soms weer even onder mijn bed vandaan. En maken we samen ‘wereldreizen’ langs Koudekerk aan den Rijn, Alkmaar, Amsterdam en Tilburg. En dan voel ik mij weer even die backpacker van toen, alleen dan één met een schone onderbroek aan.

Dat zit wel snor
De eerste maanden kreeg ik vaak de vraag te horen of ik al weer gewend was aan het leven hier? Het antwoord: het went veel te snel. Ik hoopte nog even het relaxte-no worries mate-leventje te behouden, maar dat is lastig omdat iedereen hier verder holt. En je niets anders kan doen dan erachteraan te hollen, met een agenda in je hand die je weer vol krabbelt met afspraken. Gigantische bofkonten dat waren wij, en dat besef je eigenlijk vooral als je weer thuis bent. Met z’n tweeën weg, de wijde wereld in. En dan ook nog eens samen thuiskomen. Als de liefde op zoveel plekken op de wereld heeft weten te overleven,  dan zit het tussen ons wel snor.

Smeer ‘m!
Deze reis maakten Chris en ik om de wereld te ontdekken en om de enge toekomst nog even uit te stellen. Hoe het nu is met die toekomst waar we toen op de vlucht voor sloegen? Die is na het eten van kikkerbillen, wildpoepen in de nacht en het parapenten van een berg een stuk minder eng. Chris werkt als Junior Projectmanager (visitekaartjes zijn gratis verkrijgbaar!) bij DE chipsfabriek in Nederland. Dus die kilo’s die we in dat half jaar kwijt zijn geraakt, hangen nu weer aan onze heupen. Ik ben in Tilburg gaan wonen om Jippoloog te worden, lees elke week twee gezellige kleuters voor, schrijf hier-en-daar wat lollige stukjes en voel mij met duizenden euro’s lichter een verdomd rijk mens. Die struisvogeltechniek van mij is een echte aanrader voor iedereen die bang is voor de toekomst of er gewoon even tussenuit wil knijpen.

Het was mij een waar genoegen om op zoveel plekken in de wereld voor jullie te kunnen en mogen schrijven. En dan wil ik nog één ding zeggen tegen iedereen die een laatste zetje in de rug nodig heeft:

‘Slinger die rugzak op je rug (stop ‘m niet te vol) als je de mogelijkheid hebt en ga er vandoor, want als ik, zonder enig gevoel van richting, de weg door de wereld weet te vinden. Kan jij dat ook!’

Sponsors gezocht

Ik staarde altijd naar de grond toen ik familieleden en vrienden zag die hun geliefden op kwamen halen van het busstation en het vliegveld. Om stevig in de armen te sluiten en voor even niet meer los te laten. Elke keer als wij in een ander land of stad aankwamen wenste ik stiekem dat er ook iemand voor ons stond. Maar dat gebeurde niet.

Ha die Joris!
Maar morgen hoef ik niet naar de grond te staren, op mijn lip te bijten en  tranen weg te duwen. Er staan straks twintig armen klaar om ons vast te grijpen. Dit moment wordt ongetwijfeld ‘Hello Goodbye’ waardig. Als ik naar dat programma keek hield ik het zelden droog. Of mensen vertrokken of juist arriveerden… Het maakte voor mijn emotionele huishouding niets uit.

Straks sta ik daar bij de bagageband. Naast Chris die een karretje vol laadt met tassen. En zie ik door het glas een aantal bekende gezichten naar ons gluren. Als Joris Linssen bij de schuifdeuren daar toevallig staat met zijn camera- en geluidsteam krijg je op de televisie als kijker emo-tv om van te smullen. Ontvangscomité-leden, jullie zijn alvast gewaarschuwd!

Mooie plek
Ik ga even 193 dagen terug in de tijd. Voor mijn gevoel lijkt het al jaren terug. Het was een tijd dat onze onderbroeken nog niet om onze kont slobberden, onze Lonely Planet niet aan stukken was gescheurd en we nog nooit in een dorm hadden geslapen.

We begonnen ons avontuur al scheurend in tuc-tucs in Thailand. Waarna we in een overvol, houten bootje met een oorverdovende motor naar Laos vaarden. In een riksja namen we afscheid van Maleisie om met een supersnelle MRT Singapore binnen te rijden. We namen onze paars-met-groene camper in ontvangst in Australie. Om een maand later terecht te komen in de beruchte groene, Kiwi Experience bus in Nieuw Zeeland. In Zuid-Amerika tuften we over de meest onbegaanbare wegen in krakkemikkige collectivo’s en ijskoude busjes. En kwamen we uiteindelijk in een Yellow Cab in mensenetend Miami terecht. Nu hebben we nu nog maar één bestemming te gaan. Thuis. Na een half jaar uit een backpack te hebben geleefd, onze sokken telkens in een gootsteen te wassen en onze stoelgang niet overal optimaal functioneert… Klinkt dat als een hele mooie plek op aarde.

Op sommige momenten tijdens de reis kon ik niet wachten om naar deze bestemming te gaan. Als we weer ergens midden in de nacht op een busstation waren gedropt die niet op onze kaart bevond. Als de Kiwi Bus de tiende plasstop van de dag ging maken. Als de sandflies en de muggen ons langzaam aan het verorberen waren. Als het doucheputje weer verstopt was met andermans bilharen. Dan kwam die hele reis heel even mijn neus uit. Maar nu is het anders. Nu moeten we naar huis. En daarvan krijg ik een raar gevoel in mijn buik.

Ik denk dat dat liefde is
Heel vaak heb ik tegen backpackers moeten uitleggen dat Chris niet mijn broer is maar mijn vriend. ‘Oh, really? That’s so nice that you can travel together!’. Die dachten vast dat we een half jaar lang een pre-honeymoon vierden. Waarin we elke avond hand-in-hand naar de zonsondergang keken en al tongzoenend in tuc-tucs zaten. Wil je de waarheid weten? Soms konden we elkaar wel afschieten met overrijpe bananen. We hebben meerdere malen ergens op de wereld tegenover elkaar gestaan en geschreeuwd: ‘Ik reis wel alleen verder. Je kan de pot op!’ Of ik stapte boos uit de camper en hing Chris even later zijn hoofd uit het raam en riep: ‘Emma, de volgende bestemming is nog heel ver lopen. En het is bijna donker’. Na een paar vieze blikken naar elkaar te werpen en hard te zuchten reisden we samen weer verder. En stapte ik weer bij Chris in de camper. Waarom? Ik denk dat dat de liefde is. En we hadden elkaar gewoon bikkelhard nodig. Ik zou nog steeds ergens in Bangkok ronddwalen zonder Chris zijn richtingsgevoel en kaartlees kunsten. En Chris zou ergens in Zuid-Amerika als een stripper zijn geëindigd, omdat zijn Spaans niet altijd goed werd verstaan.

It’s all about the experience. Chris net voordat hij het vliegtuig uitspringt op 10.000 feet.

Verlang-naar landen-lijstje
Ik heb thuis een gouden wereldkaart hangen waarop je de landen waar je bent geweest kan bekrassen met een muntje. Naar landen, die ik eerst niet eens kon vinden op de wereldkaart, ben ik nu geweest en mag ik gaan volkrassen. Een heel ander mens ben ik door deze reis niet geworden. Wat ik later wil worden als ik groot ben weet ik ook nog niet. En kaartlezen is voor mij nog steeds één grote goochelshow. Maar wat ik wel weet is dat ik die landkaart vol zal krassen.  Cambodja, Vietnam, Tibet, Nepal en India, de verlanglijst wordt steeds langer. Alleen is er één probleempje: het geld is op. We kregen een gouden tip van een studiegenoot van Chris: Zoek sponsoren! Sta dus niet raar te kijken als ik binnenkort bij je op de stoep sta, schuddend met een collectebus in mijn handen. ‘Heeft u misschien nog wat over voor het ‘goede doel’?

Vluchten kan niet meer
Na het frituren van een familiepack bitterballen. Na het smeren van een toren aan boterhammen met pure hagelslag. Na het achter na jagen van de wind met een kite. Na het afstoffen van mijn kinderkamer die gevuld is met bananen dozen, plastic tassen en Ikea onderdelen. Na het genieten van een eigen wcpot mét wcpapier én bril, is het de hoogste tijd. Tijd om de toekomst onder ogen te zien, want vluchten kan niet meer. We moeten de mouwen opstropen en de gaan bankrekening spekken!

Christiaan gaat zijn Thaise maatpakken strijken voor sollicitatiegesprekken die op de planning staan. Sommige bedrijven (die op kruipafstand van zijn huis in Alkmaar liggen) kunnen niet wachten tot hij weer terug is in Nederland. Goed nieuws voor Richard en Joke (zijn paps en mams), want dat vergroot de kans dat hij tot zijn dertigste thuis blijft wonen. En ik moet voor augustus de knoop doorhakken of ik mijn leven als student voorgoed vaarwel zeg of toch nog even niet. Aan de Universiteit van Tilburg ben ik toegelaten om de master Jeugdliteratuur te volgen en voor twee jaar in de (kinder)boeken te duiken.

We zijn te huur!
Ben je door onze doldwaze verhalen ook niet meer thuis te houden en wil je Nederland met gierende zwembanden verlaten? Dan zijn wij vanaf juni 2012 te huur voor een consult. Kosten? Een biertje per half uur.

Terwijl jij dit leest zijn wij begonnen aan onze reis van 25 uur, inclusief zes uur wachten op het vliegveld van Londen Heatrow. Gelukkig hebben we dan nog alle tijd om onze haren te knippen, onze gezichten te wassen en een ‘schoon’ T-shirt aan te trekken. Dan herkennen jullie ons misschien iets sneller.

Tot zo!

CSI Miami. For real.

Heen en weer schuddende bruine borsten, hangend uit een bikini die maar net de tepels bedekt. Grijnzende monden vol met gouden, flonkerende tanden. Gepimpte auto’s met velgen waar menig man een genotzalige zucht van zal slaken. En er worden mensen opgegeten. Miami has it all.

Deze krokodillenkop gaat niet mee naar huis. Sorry Chris.

Bij de incheckbalie op het vliegveld in Lima moesten we de mafste vragen beantwoorden om naar de strenge Verenigde Staten te kunnen vliegen. ‘Wie heeft je tas ingepakt?’, ‘Waar is de tas nu op dit moment?’ en ‘Waar heb je de tas ingepakt?’. Tien uur later werden we op het vliegveld in Miami hartelijk en vooral heel warm ontvangen. Honderden toeristen en Amerikanen stonden ons op te wachten. Piepjong en stokoud. In meer dan 24 rijen dik. En wij mochten achteraan sluiten. Drie uur later konden we eindelijk een taxi nemen naar ons superdeluxe zes sterren hotel, met bubbelbad, butler en onbeperkt champagne motel een paar meter verwijdert van het vliegveld.

Bedden om in te verdwalen – zo groot.

Omdat de bodem van onze enorme schatkist steeds beter zichtbaar wordt hadden we besloten om de eerste twee nachten in Downtown Miami te blijven. Pinksteren en een gigantische Urban party op South Beach zorgden ervoor dat een dorm gedeeld met z’n zessen ruim vijftig dollar per persoon kostte. Daarom kozen we maar voor een iets minder centrale locatie. Downtown Miami zullen wij in ieder geval nooit meer vergeten. Daar gebeuren dingen die het daglicht eigenlijk niet kunnen verdragen…

Kerels en hun schattebout.

Zo reden we afgelopen zaterdag een paar rondjes in de monorail. Een paar meter boven de straten van Downtown Miami. Zo hadden we gelijk een gratis, zelf georganiseerde, privé-citytour. Opeens zag ik vanuit mijn linkerooghoek een politieagent met een paraplu staan, bovenop het dak van  een parkeergarage. En een paar meter lager zag ik op de grond twee lichamen liggen. ‘Rare plek om te zonnen’, dacht ik toen nog. Maar toen ik beter keek werd het beeld opeens heel wat gruwelijker. De lichamen lagen in vreemde, onnatuurlijke posities, omringt door een grote plas bloed. Kledingstukken lagen verspreid over de snelweg, achtergelaten in grote haast.

Een shot vanuit de monorail – voor het gele doek lagen de lichamen.

Was het een afrekening in de maffia wereld? Een uit de hand gelopen ruzie tussen geliefden? We wilden eigenlijk na drie rondjes in de monorail uitstappen. Maar we blijven nieuwsgierige toeristen dus gingen nog één keer heen en weer. Chris moest dit spannende CSI-achtige momentje vastleggen. Helaas kon hij niet het perfecte hoek vinden, maar maakte wel deze twee foto’s. Wat er op deze plek was gebeurt, voordat wij langs kwamen rijden, hadden we nooit kunnen raden.

Waarschijnlijk kledingstukken van ‘de naakte man’.

Twee dagen later las Chris een gruwelijk nieuwsbericht voor over een naakte man die stukken vlees van het gezicht van een zwerver opgegeten had. De naakte man werd door de politie neergeschoten en de zwerver ligt op dit moment in kritieke toestand in het ziekenhuis.

Het nieuwsbericht werd gevolgd door een filmpje. De beelden kwamen van de bewakingscamera’s. Een paar meter verwijderd van de kannibaal en de zwerver. Bij het zien van de beelden viel mijn mond open en floepte er een klein gilletje uit. ‘Dat zijn onze lijken! Dit is onze crime scene!’. Je ziet in het filmpje een weg lopen: dat zijn de rails van de monorail waar wij in zaten. Bizar, bizar, bizar! Als we een paar minuten eerder in die monorail hadden gezeten, waren we weer voor even terug in de oertijd gegaan. Toen mensen nog echt dagelijkse hap waren. Jak.

We namen afscheid van ons motel in ‘kannibaalstad’ en vertrokken naar South Beach. En daar kregen we waar we op hadden gehoopt. Wuivende palmbomen, cocktails zo groot als emmers, parelwitte stranden en halfblote mannen op skates. We eindigen de reis heel toepasselijk in een knusse dorm. De eerste nacht boften ook nog eens. Het hostel was ‘overbooked’, waardoor wij een bunkbedje mochten delen (dat scheelde meer dan 35 dollar, hoezee!). Waarom slapen in een peperduur hotel aan het strand? Dit is net zo romantisch.

Strandhut van de lifeguards.

Vanwege de driedaagse Urban party was South Beach veranderd in een gigantische videoclip van Usher, Beyoncé en P-Diddy. Het strand was een feestje voor het oog, vooral Chris lag er likkebaardend bij. Ik spreidde mijn sarong uit, smeerde mijn melkflessen in en zette mijn gekreukte flaphoed op. Naast mij lag een vrouw te zonnen met glimmende nepborsten, die fier rechtop bleven staan in de wind. Ze werd aangegaapt door vijf spierbundels, met flonkerende gouden tanden, in witte hemden. Recht voor mijn neus stond een dame de horizon te bekijken. Met ronde, volle en beweeglijke billen. In een klein, rood stringetje. Een enorme neger met een gigantische videocamera ging een meter achter haar staan, en begon haar ongegeneerd te filmen. De dame draaide zich om en zwaaide, in haar stringetje, naar de camera. Ik verwachtte uit haar mond Amerikaans getetter dat ‘hij op moest rotten’ en ‘een viezerikkie’ was. Maar niets van dat alles. Ze lachte haar witte tanden bloot, zwaaide en riep: ‘Happy Memorial Day!’.

Zo. Genieten van het uitzicht.

Als je denkt dat wij onszelf alleen van ons bunkbedje naar het strand  bewegen, dan heb je het mis. We hebben het in maanden nog nooit eerder zo druk gehad. We hebben een aantal bestellingen doorgekregen vanuit het thuisfront. Er moeten Uggs, Allstars, een e-reader en een telefoon gekocht worden. Chris gaat onze trip afsluiten door een snoekduik uit een vliegtuig te maken. En vrijdag moeten al onze slobberende kledingstukken, onderbroeken met gaten en schoenen zonder zolen in de prullenbak belandden.

De inhaalslag – in één week kilo’s kweken.

En dan wordt het echt tijd om de reis voorgoed gedag te zeggen. Daar moet ik nog even geen seconde aan denken, want als ik ergens slecht in ben (denkt terug aan een Schiphol moment iets meer dan een half jaar geleden) dan is het dat wel. Al kan ik straks ook wel weer heel veel lieve mensen platknuffelen, overladen met natte kussen en aaien over de bolletjes geven. En na een half jaar is dat, naast die bruine boterham met hagelslag, iets meer dan heerlijks!

Free sandhug.

Ik pas nog een paar dagen de beroemde struisvogeltactiek toe, voordat we overmorgen het vliegtuig instappen. Met mijn hoofd gestoken in het hete, Miamineese zand zing ik uit volle borst:

‘En we gaan nog niet naar huis, nog ‘lange’ niet, nog ‘lange’ niet!

Backpack to business

Nog één week. Dan is het over met De Grote Pret. Moeten we ons weer gaan nestelen in het ‘échte’ leven. HELP?!

Zie je deze jongeman liggen op Station Alkmaar? Schud ‘m dan even wakker a.u.b.

De kans bestaat dat we last krijgen van enkele gevreesde ontwenningsverschijnselen. Zeer bekend bij teruggekeerde backpackers. Huilbuien in een bed die geen vertrouwde kuil heeft. Niet durven plassen door het zien van een blinkende wc-bril zonder vastgeplakte bilharen. Praten in een onverstaanbare mix van Nederlands, Spaans, Engels en Thais. En zo kan ik nog wel even doorgaan.

Om die verschijnselen zoveel mogelijk te beperken heb ik hier wat tips die ons (en andere backpackers) hopelijk gaan helpen om ons sneller thuis te voelen in het huis van paps en mams.

1. Vervang je bed door een of meer stapelbedden en nodig elke nacht andere mensen uit om erin te slapen (let op: het hoeven geen bekenden te zijn en snurkers krijgen voorrang). Dit laat het meer aanvoelen als een hostel. Zorg ervoor dat er tenminste één keer per week een stel in slaapt dat dronken thuiskomt of de hele nacht lang een wipje maakt in je (het liefst piepende) stapelbed. Haal de bedden weg als deze symptomen aanhouden.

2. Slaap in je slaap- of lakenzak en vergeet deze te wassen voor een paar maanden.

3. Slaap elke nacht in een andere kamer en zet de ventilator op de hoogste stand en laat ‘m de hele nacht tegen je gezicht aan waaien.

4. Slaap naast een pot plant voor het jungle effect. De kat kan je met veel creatief denkvermogen aanzien als een wilde puma. Hang een klamboe op, zorg ervoor dat er genoeg gaten inzitten en dat het minstens twee keer per nacht van het plafond afvalt.

4. Zorg ervoor dat je een aantal verschillende wekkers laat afgaan op verschillende momenten in de nacht en de vroege ochtend. Neem bij voorkeur een radiozender waarin veel wordt gesproken, waardoor je kamer wordt gevuld met luid gepraat.

5. Vergeet niet om eerst aan je kleren te ruiken voordat je ze aantrekt, en verwelkom de wasmachine LANGZAAM in je leven. Handwas is en blijft je grootste vriend.

6. Koop je favoriete voedsel en stop het in een foodback. Schrijf daarop je naam, je huisnummer en de datum waarop je het huis weer verlaat. Het voedsel moet voornamelijk bestaan uit de hoogtepunten van het backpackersdieet: pasta, aardappelen en blikjes bier.

7. Vraag aan familieleden/vrienden/de buurman om zo nu en dan wat van je hierboven beschreven voedsel te stelen. Met voorkeur het voedsel waar je het meest van houdt of wat het duurst is.

8. Verlaat het huis, ook al is het zondag, voor negen uur in de ochtend. Ga om de hoek staan met een verdwaalde blik in je ogen. Vraag aan de eerste voorbijganger met een etnische achtergrond wat een mooie/interessante/fotowaardige plek is om heen te gaan.

9. Koop je bus- of treinticket in een andere taal. Dat de dame achter de balie je niet verstaat maakt het alleen maar echter. Vergeet niet af te dingen. Als de dame achter de cassiere in de supermarkt om twintig euro vijftien vraagt, probeer jij het voor een tientje mee te krijgen.

10. Douche zo min mogelijk, maar zorg er wel voor dat je jezelf insmeert met een dikke laag zonnebrandcreme en je jezelf goed insprayt met deet voor de aroma. Vraag aan familie/vrienden/de buurman om wat haar in het doucheputje achter te laten (van welk lichaamsdeel het haar afkomt mag door die persoon zelf gekozen worden).

Ontwenningsverschijnsel #132: de weg in je eigen woonplaats (die je blindelings weet te vinden) zoeken met de Lonely Planet.

Deze simpele maar effectieve tips gaan ons (en andere backpackers) hopelijk helpen om weer terug te vallen in de normale samenleving. Met zo min mogelijk moeite.

Wish us luck!

Krokodil, kroket en kurk

Piranha’s vissen en verorberen, paardje rijden in de jungle, raften in Arequipa, de gevaarlijkste weg ter wereld afracen, alligators diep in de ogen kijken, diarree aanvallen proberen te overleven. En dat in een paar dagen tijd. Hello, we need vacation!

Na mijn paraglide vlucht, wilde Chris natuurlijk ook.

Na een paar dagen vertraging konden we Sucre (en ik de wc pot) verlaten. Met een buslading pillen in mijn backpack en samengeknepen billen stapte ik in de bus. Op naar La Paz! Als je ontevreden bent over de climatecontrol van Connexxion, maak dan eens deze rit. Die bus was één en al ventilatie, normaal is dat niet zo erg, maar op de enorme hoogtes waar wij ons bevinden is dat berekoud. Ik zat verstopt onder het AZ-dekentje (wat moeten we zonder) en Chris lag te verkleumen onder de dunne sarong met vier lagen kleren aan. Na verhalen van backpackers van berovingen in de bus kon ik ook maar moeilijk in slaap vallen. Bang dat ze mijn backpack onder mijn benen vandaan zouden grijpen als ik kwijlend tegen het raam lag te ronken. Maar na tien uur kwamen we veilig en verkleumd kwamen in La Paz. In die stad voelde ik voor het eerst van mijn leven een vreemde hand in mijn tas. Ik huppelde ‘s avonds door een drukke straat toen ik wat gefriemel aan mijn tas voelde. Ik draaide mij van schrik om en zag een man van mij weglopen. Al was er weinig te grijpen geweest voor hem, alleen een appel en een lamatas. Maar toch, jak.

‘Vers’ geperst!

In La Paz trotseerde Chris (vanaf nu wil hij Christiaan De Heldhaftige genoemd worden) met een mountainbike de Dead Road. Dat is de meest gevaarlijke weg ter wereld. Hij overwon kletterende watervallen, scheurde vlak langs angstaanjagende afgronden en denderde naar beneden op een ‘weg’ van rotsen en keien. Ik hield mij die dag bezig met belangrijkere zaken (of eigenlijk was ik gewoon te lui om zo’n eind te fietsen). Ik was voor het eerst één hele dag alleen. En dat is heel raar na vijf maanden op elkaars lip te leven. En wat doet een vrouw alleen? Winkelen, jodelahitie! Ik slenterde (of nouja, ik sleepte mijzelf omhoog door de steile straten) urenlang door de straatjes van La Paz. Ik kocht lamasokken, lamamutsen, lamasleutelhangers en lamatruien (speciaal voor Marissa gehe). Onze backpacks wegen nu allebei negentien kilo en barsten bijna uit hun voegen.

Je hebt in La Paz de beroemde ‘Witch market’. Ik had iets verwacht met Boliviaanse vrouwtjes met een pukkel op hun neus, een bezemsteel tegen de deurpost en duistere, dampende drankjes die daar door hun gebrouwen werden. Viel dat even tegen. Het was één straatje, met weer een overvloed aan souvenirs, waar oude vrouwtjes geluksamuletten, dode lamababyskeletjes (heel naar om te zien) en heilige beeldjes verkochten.

‘s Avonds aten we bij Luna y Sol, een restaurant dat bekend staat om haar Nederlandse menukaart. Na vijf maanden reizen snakken we naar een hoopje aardappelen met een kuiltje vol jus, een balletje ernaast en wat sperziebonen. We bestelden een pannenkoek met spek, een broodje kroket en een uitsmijter. Ze hadden er zelfs stamppot. Met elke hap die ik nam was ik een stukje dichter bij thuis.

Wie lang geen kroket eet, geniet het meest.

Chris wist mij na heel wat moeite en mooie woorden (‘Ik betaal’, ‘Ik kan geen nacht zonder je’ en ‘Dit mag je echt niet missen’) over te halen om mee te gaan naar de jungle, de Amazone van Zuid-Amerika. Om daar voor drie dagen de Pampas in te duiken. Ik had niet zo’n trek in weer een bestemming waar ik drie dagen niet kon douchen, tegen muggen moest vechten en in een vies bedje moest slapen. Maar niemand laat z’n eigen vent alleen, dus we stopten onze kleine backpacks vol (met Deet) en vertrokken met het kleinste vliegtuig dat ik ooit heb gezien naar Rurrenabaque. Er pasten maar twintig mensen in. Er was geen stewardess die voor ons haar veiligheidsdans deed of een lekker vliegtuigprakje voorschotelde. Zitten en vliegen, that’s all. We zaten op de voorste twee stoelen en konden de piloten hun werk zien doen. Nou, dat zie ik dus liever niet. Bij elk piepje zat ik rechtop in mijn stoel, greep mijn gordel stevig vast en hoopte voor het beste. Ondanks het gepiep was het een prachtige vlucht, vlak boven bergen met sneeuwtoppen, helderblauwe meertjes en eindigend boven een zee van groene bladeren. We hadden ook kunnen kiezen voor een (helse) busrit naar Rurrenabaque. Maar deze rit duurde 24(!) uur en was volgens de Lonely Planet koud, hobbelig en of je aankwam was ook maar de vraag (al had die busrit had wel negentig euro per persoon gescheeld).

Privé-jet Team Holland (met Marjolein & Charlotte)

Naast de landingsbaan lag er een modderig pad waar de bus op ons stond te wachten. Je kon er ook voor kiezen om op de motor naar de stad te gaan. Maar met een backpack van achttien kilo op mijn rug leek mij dat geen goed idee. Dan zou de motor na de eerste meters al gaan steigeren. De busrit naar het centrum leek wel een flashback naar onze weken in Azie. Koeien op de straat, zwaaiende kindertjes, kleine houten hutjes en palmbomen (‘Ik wil terug, ik wil terug!’). Het is zo vreemd dat de omgeving zo kan verschillen na één uur reizen. Zo liepen we in onze lange broeken en dikke jas door een bomvolle stad overladen met taxi’s die kriskras langs elkaar heen scheuren. En een uur later liepen we in de zon, zwetend door een klein stadje, naast een jungle vol apen en krokodillen.

Het regenseizoen zou normaal gesproken eind april over moeten zijn, maar natuurlijk niet als wij er zijn. De zandweg, die er normaal gesproken hoorde te zijn, was door de enorme regenval van de afgelopen dagen verdwenen. En veranderd in een portie modderige gatenkaas. Ik heb nog nooit zo’n weg gezien! Modderkuilen van een halve meter diep, een omgevallen truck omringt door uien die eruit waren gerold en mannen die met blote handen in de modder een jeep probeerden los te wrikken. De bus uit La Paz had zich een paar kilometer voor het centrum vast gereden in de modder. De busschauffeur stond met een klein schepje de modder rondom het voorwiel. De passagiers, locals en andere bestuurders stonden erbij en keken ernaar, en Chris maakte natuurlijk foto’s. Gelukkig hield de regen na de jeeprit op en konden de gele bananenponcho’s weer de backpack in.

Terwijl op 30 april iedereen z’n oude kleding, lampenkappen en servies verkocht op straat, prooste met vijf glazen bier in elke hand op de koningin en een oranje boa om zich heen wikkelde, zochten wij naar anagonda’s in de blubber.  Ik heb dus niets met slangen en met blubber waar je tot je knieën inzakt. Na een half uur gaf ik de zoektocht met Anna (uit de V.S.) op en wachtten we tot de groepen weer terugkeerden, zonder één anagonda te hebben gezien. Lock (een stoere Aussie) was op een alligator gaan staan en gilde als een baby. Als ik had geweten dat die beesten in het riet verstopt zaten was ik nevernoway met mijn kaplaarsjes aan de zoektocht begonnen.

Wij bewijzen hoe sexy witte-lange-mouwen-shirts kunnen zijn.

We zijn ‘s avonds in het pikkedonker op zoek gegaan naar alligators (je ziet rode oogjes in het water naar je loeren). Hoe dichter bij we kwamen, hoe verder ik wegdook in mijn dekentje. Die bek, die tanden, die ogen, wat een prachtig maar verschrikkelijk eng beest. Chris heeft de volgende dag twee piranha’s gevangen, die dezelfde avond op ons bord belandden. Hij heeft de kaak met de vlijmscherpe tandjes losgewrikt en meegenomen als souvenir. We zagen in die drie dagen een kontkrabbende luiaard, huil apen, capibara’s, roze dolfijnen en de grootste vogel ter wereld.

De bedjes waren zoals ik had verwacht, een doorgezakt matras, gaten in de klamboes en er stond een leeg bed vol met muizenkeutels. Na vijf maanden zijn we gepromoveerd tot bed- en matrasexperts en kunnen we wel tegen een stootje.

Maar ze hadden daar wel de de achtertuin van mijn dromen. Elke ochtend voor het ontbijt stond ik te turen in de bomen hoe de kleine aapjes de lange staarten langzaam voor hun ogen wegtrokken en wakker werden. Met hun miniscule handjes sinasappelschillen tussen de composthoop vandaan haalden en leeghapten.

Maar ondanks de mooie beesten die we hebben gezien, hebben we een dubbel gevoel bij de trekking. Maar met het eten moet echt iets mis zijn geweest (zie Chris zijn ervaring hieronder). En ook onze gids zou daar per direct onslagen moeten worden. Op de derde dag zouden wij namelijk heel vroeg in de ochtend wakker gemaakt worden om de zonsopgang te zien, met rondspringende dolfijnen en alles. We hoorden dat de andere groep uit bed kwam en vertrok. Wij werden niet gewekt en vielen dus maar weer in slaap. Onze gids bleek bij de bar (een houten hotje volgestapeld met kratten bier) zich volgegoten te hebben met liters bier. Hij kwam pas om vijf uur in de ochtend terug was naar onze lodge en was toen te dronken om een boot te besturen. Pas om tien uur in de ochtend kon hij de kater aan (hij loog tegen ons dat hij diarree had) en nam hij ons mee naar de roze dolfijnen. Chris heeft het gedrag van onze gids gemeld bij het bedrijf waar we de tour geboekt hadden.Onze gids begon mans te doen tegen Chris dat hij drie dagen lang last van hem had gehad en dat het die ochtend slecht weer was voor de zonsopgangtrip. Zucht, sommige Bolivianen zijn kleine leugenaars en dat maat het reizen hier soms erg vermoeiend.

Zoek ali(gator)!

Als je nog wat kilo’s wil afvallen is Bolivia misschien (naast peperduur Australie) een perfecte bestemming. Je hoeft er niet zozeer weinig te eten. Neem gerust vijf ‘verse’ fruitsapjes op een dag, een groot stuk vlees of vis en een portie aardappelen. De bacteriën doen hun werk wel in je darmen. Christiaan kan er nu ook in geuren en kleuren over meepraten. Terug uit de Pampas voelde hij in Rurrenabaque raar geborrel in zijn buik. Dat geborrel leidde tot zijn personal record van 28 keer de wc te bezoeken. Wat normaal stevige drollen zijn, leek nu meer op een bruin waterballet (sorry, ‘show don’t tell’ hebben ze mij geleerd). Op dat soort moment ben je zo blij met een eigen wc op je kamer. Maar Chris moest zich loswrikken van zijn tijdelijke beste vriend, want de vlucht van Rurrenabaque terug naar La Paz moest gehaald worden. Hij hield met grote moeite de 45 minuten in de lucht vol, om daarna op het vliegveld een sprint te trekken naar de wc. Gered. Op het nippertje.

Esther en Gerrie (die we hebben leren kennen tijdens de Salt Flake tour) zijn ook bezweken onder het Boliviaanse voedsel. De oorzaak daarvan laat duidelijk zien dat hygiene niet hoog op de prioriteitenlijst staat van de Bolivianen (of ze hebben er gewoon echt geen verstand van). Esther had, voordat het darmenfeest begon, een vis gekocht op de markt die een paar dagen geleden gesloten was vanwege een ‘technische storing’. Wat bleek? De vriezers deden het drie dagen niet, de vis was ontdooid en daarna weer lekker ingevroren en weer lekker verkocht.

Van La Paz vertrokken we naar Copacabana. Dat stadje klinkt heel exotisch en warm, maar dat is het dus niet (die Copacabana ligt aan de kust bij Brazilie). Vanuit daar pakte we een bootje naar Isla del Sol, een eiland in het Lake Titicacameer. Dat is het hoogste meer ter wereld. We liepen van het zuiden, naar het noorden van het eiland. Ik huppelde als een jonge hinde over de heuvels, terwijl Chris al hijgend achter mij aan sjokte (meestal was het andersom). De hoogte en de diarree maakte van hem een oude man. Een prachtig eiland waar je omringt wordt door baaien met spiegelglad water, ezels bepakt met grote zakken, grazende lama’s, schapenhoedsters met bolhoedjes en kleurige doeken om zich heen gewikkeld.

Onderweg werden we opeens tegengehouden door vier, kleine kereltjes met twee nog kleinere lama’s op korte pootjes. Wilden we een foto, dan moesten we één Sol betalen. Kinderen zijn hier op hele jonge leeftijd al kleine handelaars. Chris heeft een prachtige foto gemaakt van een breedlachende Carlo (‘Say Keso’ Carlo!’) met zijn witte lama op korte pootjes. Die nacht sliepen we in een kamertje met het mooiste uitzicht dat we in de hele reis hebben gehad (in veel hostels hebben we geen raam of kijken we tegen een betonnen muur aan). De volgende ochtend was er niemand in het hostel te bekennen die ons geld in ontvangst kon nemen. Na wat ‘Hola’ en ‘Nou dan niet hoor’ vertrokken we. De eerste gratis nacht in vijf maanden!

We deden die avond ook nog snel even een tourtje naar de floating islands. Dat zijn drijvende (toeristen)eilanden in het Lake Titicacameer, aan de kant van Peru. Vroeger leefden daar de Uros, een Peruaanse stam. Vijftig jaar geleden is de laatste Uros man overleden en heeft een andere stam deze eilanden ingenomen, omdat ze geld roken. Alles hebben ze daar gemaakt van riet, zelfs de boten. Als je een bootritje wilde maken met de rieten boot werd je uitgezwaaid en toegezongen door drie gezellige Bolivaanse dames. Ik kwam niet meer bij toen ze opeens ‘Vamos a la playa’ in koor zongen en eindigen met ‘Hasta la vista baby’. Het is een bizar gezicht, de kleine dorpjes op het water, alleen een beetje jammer dat het op toerisme drijft.

In Arequipa kon ik mijn geluk niet op: ik bezocht een Peruaanse tandarts. Geen rottende tanden of verstandskiezen die getrokken moesten worden, maar een draadje achter mijn tanden was afgebroken. Na een dokter in Australië en Bolivia, een opticien in Nieuw Zeeland, kon een tandarts natuurlijk niet ontbreken in dit rijtje. En dat was een hilarische ervaring! Ik had verwacht dat ik in een viezig hutje op een klapstoel moest gaan zitten. Mijn mond open moest doen en er met prehistorisch boren, tangen en spuiten in mijn gebit gehakt zou worden. Niets van dit alles, het voelde net zoals thuis (denk ik, want ik ontwijk de tandarts al een paar jaar). De man sprak een paar woorden Engels, daarom regelde hij dat zijn zus via de telefoon mijn verhaal zou vertolken aan hem. Drie kwartier was hij aan het lijmen, peuren en pielen. ‘Do you like your first day in Peru’. Wilt u een eerlijk of een leuk antwoord meneer de tandarts? ‘Uh, not really because I’m here with you sir’, antwoordde ik.

We zijn nu in Cuzco, de Peruaanse stad waar alle toeristen voor één ding komen: de Machu Picchu. Het voelt heel raar om over een paar dagen in de beroemde ‘verloren stad’ te zijn. Machu Picchu was toen we nog in Nederland waren het toefje op de enorme taart. En die taart is nu gewoon bijna helemaal op. Nog een paar happen en dan is het tijd om onze monden af te vegen en naar huis te komen…

Inca Kola. Smaakt naar kauwgomballen.


Een jeep, een dino en wat zout

U neemt een jeep, het liefst één met motorproblemen en een onverstaanbare chauffeur. U neemt daarna de meest onbegaanbare ‘wegen’ op letterlijk adembenemende hoogtes. U ontwijkt wat verdwaalde lama’s, alpaca’s, flamingo’s en pequenas en maakt het geheel af met een lading zout. Buen provecho!

Het bovenstaande recept staat garant voor een onvergetelijk avontuur naar de Salar de Uyuni, de gigantische zoutvlaktes in Bolivia.

Vanuit San Pedro de Atacama, een wild western stadje met schattige huizen van klei, wegen van zand (en waar twee moorden op één avond werden gepleegd terwijl je in je bedje ligt te ronken) mountainbikten we naar Valle de la Muerte (klinkt eng, en is het ook als je nog nooit op een board hebt gestaan).Daar gingen we, joepiejee, ‘wintersporten’! Er was geen glühwein, geen knodel en ook geen sneeuw. Er was enkel en alleen een hoop zand en mijn twee vertrouwde lange latten waren ingewisseld voor een board. Een geweldig, onbeschrijflijk gevoel als je bovenop een berg met zand staat, om je heen oranje rotsen ziet, de zon op je hoofd brandt en je naar beneden sjoeft. Of in mijn geval: oncharmant met mijn kont op het board naar beneden scheurt met een gigantische rotgang. Zoals Chris het altijd zegt: It’s all about the experience dude!

In San Pedro boekten we, met een kleine knoop in onze maag, de driedaagse tour naar Uyuni. We hadden namelijk op Tripadvisor angstaanjagende verhalen gelezen over deze tour. Jeeps waarbij een wiel afbrak, chauffeurs die om negen uur in de ochtend dronken achter het stuur kropen of koplampen die het niet deden, met als gevolg toeristen die hangend uit het raam met zaklampen de weg moesten verlichten. Maar we moesten toch op de een of andere manier in Bolivia aan zien te komen…

Het avontuur begon in een lange rij met bibberende backpackers voor de Chileense grens die een stempel in hun paspoort wilden, om daarna een paar kilometer door niemandsland te scheuren. Die paar kilometer waren het zwaarst, in een uur tijd gingen we namelijk 2000 kilometer de hoogte in. San Pedro de Atacama ligt op 2500 meter, en de Boliviaanse grens op 4600 meter. De Lonely Planet adviseert om maximaal 500 meter per dag te stijgen, maar wij deden deze hoogte keer vier. Je lichaam heeft weinig tijd om aan die hoogte te wennen waardoor je misselijk en kortademig kan worden en je een licht gevoel in je hoofd krijgt. Je hoofd voelt op zo’n hoogte aan alsof je een nacht lang aan de wodka hebt gelurkt en je nu wakker wordt. De oplossing tegen deze kwalen: coca leaves! Deze blaadjes stop je in je wang (niet kauwen, want dat veroorzaakt diaree), en daar blijf je dan een uur op sabbelen. Je voelt je hierdoor net een hamster die tien zakjes green tea in z’n wang heeft zitten. Maar het werkt! Chris en ik doorstonden de hoogtes gelukkig goed. Het meest rare is dat je al zwaar begint te hijgen als je de jeep instapt of je je omdraait in bed.

Chris spurtte toen hij de jeeps zag staan bij de Boliviaanse grens meteen naar de meest ‘nieuwe’ jeep en nam een duik onder de moterkap. En zag dat deze een grotere kans had om te overleven dan de drie andere jeeps. Die is van ons! De jeep werd volgestopt met twee oergezellige Belgen, Gert en Esther, twee hippe Amerikanen Shaun en Sophie, de twee meest sexy Nederlandse backpackers ooit en de chauffeur Juan. Het eerste wat Juan inlaadde in de jeep waren zes flessen wijn die hij naast zich op de bijrijdersstoel neerzette. In gedachten dachten we allemaal hetzelfde: ‘Als dit maar goed gaat’ (Later bleken die flessen voor ons avondeten te zijn).

We sliepen de eerste nacht op het hoogste punt: 4800 meter. En daar was het koud, berekoud. Op elk bed lagen negen dekens en je kon ook nog een slaapzak huren. Ik hees mij in een legging, een pyjamabroek, een hemd, een t-shirt, een vest en twee paar sokken. Ik stelde al voor om met de jeepmates in een eenpersoonsbed te kruipen om zo onze lichaamswarmte optimaal te gebruiken. Helaas stelde alleen Christiaan zich kandidaat voor dit lumineuze plan. Uiteindelijk bleek het met de vrieskou wel mee te vallen en werd het s’nachts een striptease van lagen kleding die werden uitgetrokken.

Wat je tijdens deze tour in tweeënhalve dag allemaal ziet is ongelooflijk! Verlaten en verroeste treinwagons midden in de kale woestijn, de beroemde ‘Arbol de Piedras’ (een vulkanische rots) en andere rotsen in bizarre vormen. We reden van laguna naar laguna, de een nog mooier dan de ander. De ene was felgroen, de ander felrood gevuld met knalroze flamingo’s en weer een ander was helderblauw met een perfecte reflectie van de bergen erin weerspiegeld. Het moment dat wij vanuit onze jeep de eerste flamingo zagen had ik eigenlijk moeten filmen. We zaten te stuiteren en te gillen toen we haar zagen, voordat we al rollend uit de jeep kwamen was de flamingo allang gevlogen.

Tijdens het ontbijt zag ik voor het eerst in mijn leven wilde lama’s en alpaca’s. Prachtbeesten. De laatste avond kregen we grote lappen vlees op ons bord. Er werd ons verteld dat we koeienvlees aan het eten waren, al denk ik eerder dat het de bovenstaande beschreven beesies waren. Maar agh, smaakten er niet minder om.

Na tweeënhalve dag jeepen bereikten we het eindpunt. De Salar. De zoutvlakte had iets magisch, een bizarre plek op aarde. Het lijkt op een gigantische, glinsterende ijsbaan waar geen einde aan lijkt te komen. Dat kwam ook omdat er een laagje regenwater op lag, waardoor het nog meer schitterde in de zon. Je moest oppassen welke schoenen je aandeed, want voor je het wist vrat het natte zout je zolen op. De mannen die aan het werk zijn op de zoutvlaktes doen alles met de hand. Er worden kleine hoopjes uit de vlakte geschept, die daarna in de trucks worden gesjouwd.

Doordat je op de zoutvlaktes geen diepte ziet worden er ladingen dinosauriërs, petten, vorken en flessen het zout opgesleept om foto’s mee te maken. Er wordt gevochten tegen dinosauriërs, mensen worden op handen gedragen of opgegeten met een vork. Het was hilarisch om al die backpackers in bochten zien te wringen om de perfecte foto te schieten. Ik gebruikte dit moment om onze zoutpot bij te vullen met vers zout.

Ik was wat skeptisch over deze tour, bang dat we ergens in the middle of nowhere met drie wielen in een greppel zouden belandden. Maar deze tour maakt nu gewoon kans om genomineerd te worden tot de mooiste tour van de hele trip! Als je ooit, ooit nog van plan bent om naar Bolivia af te reizen, zet je angst opzij en maak deze tour!

Bolivia. Dit land maakt ons na een week al gelukkig. Ons geld is voor het eerst in drie maanden weer veel waard. De foodcourts are back (al zijn mijn darmen daar minder blij mee, zie smakelijk bericht hieronder). Je kan verse pizza’s laten bakken bij een klein mannetje die een rijdend oventje op straat verwarmt. De dormrooms zijn ingeruild voor privaterooms mét badkamer voor een goedkopere prijs. En we kunnen onze versgeleerde woorden Spaans nu echt goed gebruiken. En dan heb je nog de traditionele Boliviaanse vrouwen. Zij zijn een feest voor het oog (en niet alleen voor Christiaan!). Daar kunnen wij Nederlanders met onze skinny jeans, Vans en paardenstaarten nog wat van leren. Ze dragen sandalen met daarin lange kousen, een wijde glinsterende rok met daaroverheen een schort, twee lange vlechten in hun haar samengebonden met elastieken met bolletjes. En voor de finishing touch een bol hoedje die schuin op het hoofd zit (ik ben er nog steeds niet achter hoe die vast blijven zitten). De baby wordt op de rug gedragen, verstopt en gewikkeld in een grote felgekleurde doek. Chris gaat van de week een cursus ‘knoop maken in een Boliviaanse doek’ volgen, want hij wil later ook zijn baby rond gaan sjouwen op z’n rug. Ik ben benieuwd…

Van Uyuni, vertrokken we naar Potosi. De hoogste stad ter wereld, 4086 meter! Pretty High. Ik begrijp nu ook waarom die mensen zo langzaam lopen, het vreet energie. In Potosi, een mijnstad, dook Chris in een mijn om te ervaren hoe het is om een mijnwerker te zijn. Ik bleef boven de grond, in bed en keek ’27 Dresses’. Verschil moet er wezen.

Van Potosi trokken we verder naar Sucre waar we zijn begonnen met het aanleggen van de souvenir voorraad van poncho’s, lama tassen en gebreide mutsen. We gaan door tot onze backpacks uit elkaar scheuren. We hebben gelukkig zelf nog geen enge berovingen of overvallen meegemaakt *klopt het af onder het houten bed*, maar dat het gebeurt weten we wel. Een Canadees stelletje die we hebben leren kennen in de Salar zijn op een smerige manier beroofd van hun kleine backpack. De buschauffeur dwong hun de kleine backpacks boven hun hoofd in het rek te stoppen. Zij verstonden geen woord Spaans en luisterden dus maar naar hem. Toen ze hun backpacks van het rek wilde pakken was er één verdwenen. Dag camera met foto’s van hun trip van twee maanden, dag I-pad. Door zulke verhalen houd ik mijn tas (en mijn hart) stevig vast.

In Sucre is onze reis op dit moment even gestrand. Ik ben aangevallen door een mogelijke infectie aan mijn darmen en kom daardoor niet verder dan de wc en mijn bed. Een ongare chorizo worst of ongewassen fruit is waarschijnlijk de boosdoener geweest. De dokter is net langs geweest in onze kamer in het hostel en heeft vier verschillende soorten medicijnen voorgeschreven. Let’s hope for the best. We hadden aan de dokter de prijs voor de medicijnen gevraagd om te voorkomen dat we niet opgelicht zouden worden bij de apotheek. En jawel, toen Chris bij de apotheek was om de medicijnen te kopen vroegen ze het dubbele bedrag! Zieke toeristen oplichten, zo gemeen. Het gemis naar bruine boterhammen met hagelslag is op dit soort momenten groot.

Oh en hier komt het grote nieuws (nope, geen baby, huwelijksaanzoek of samenwoon bericht). Tromgeroffel en paukeslag alstublieft!

Het vliegticket van Londen naar Amsterdam is geboekt. Het was een rib uit ons lijf, maar we hebben na lang beraad toch besloten om naar huis te komen. Op 2 juni om 20.00 uur staan we in onze lama outfits in het land van de stroopwafels, pure hagelslag en de bitterballen!

Hasta luego!

Dolgelukkig zwerversbestaan

Soms voel ik mij net een zwerver, alleen de kartonnen doos, de winkelwagen en de pet op de grond ontbreekt.

Ik dook online in de Dikke Van Dale om het verschil tussen een zwerver en een reiziger te ontrafelen. Een ‘zwerver’ is volgens het woordenboek ‘iemand die geen vast verblijf heeft’. Een ‘reiziger’ is ‘iemand die reist’. Als je het woord ‘reizen’ opzoekt, krijg je de betekenis: ‘het trekken van een plaats naar een andere’. Dus je zou ons reizende zwervers kunnen noemen, want in Holland slapen we weer onder de dakpannen van paps en mams. Geen echt ‘eigen’ huis, een plek onder de zon.

Al ruim vier maanden zwerven/reizen we rond de wereld. En dat gaat niet in de koude kleren zitten. Of eigenlijk…wel. Ik heb in Pichilemu mijn mini-naai-set tevoorschijn gehaald en de gaten in onze broeken genaaid. Bij gebrek aan een lap stof hebben we een (redelijk schone) boxer van Chris aan stukken gescheurd en op de gaten in zijn broek genaaid. Dan waait de Boliviaanse wind straks niet zo tegen zijn billen.

De laatste keer dat ik onze kleren in een wasmachine stopte was in de Bay Of Islands, Nieuw Zeeland. Voor Chris was het meteen de laatste keer. De droger vrat al de kleuren op van zijn t-shirts en maakte van zijn Thailand broek een gevalletje hoog water. Het aankleedritueel van backpackers zal waarschijnlijk nooit veranderen. Voordat Chris zijn kleren aantrekt wordt er altijd eerst even aan geroken. Daarna volgt altijd de zin: ‘Oh die kan nog wel’. Zolang we onder het gezelschap blijven van backpackers is er niets aan de hand.

Gisteren kregen wij al slenterend door La Serena op Eerste Paasdag gezelschap van een zwerfhond. Een hongerige viervoeter vol opengekrabte plekken door de rondspringende vlooien in zijn vacht. Ik mag dan wel al behoorlijk veel gezien hebben, maar zulke dingen geven nog altijd zo’n naar gevoel in je maag. Je zou al deze viervoetige zwervers allemaal in je backpack willen stoppen en meenemen. De meeste zwerfhonden in Chili liggen te niksen op de straat, maar deze zwerfhond vond ons waarschijnlijk goed gezelschap. Waar wij gingen, ging hij.

Op het strand lag een grote, hoop van zand, dichtbij de zee. Ik liep erheen, met de hond achter mij aan gehobbeld. Toen zag  ik opeens dat de hoop zand een snuit had. De op het eerste gezicht lijkende ‘hoop zand’ was een aangespoelde, dode zeekoe. Onze zwervende vriend begon er hongerig aan te knagen, en trok aan iets wat leek op een oogbal. De appel die ik toen aan het eten was smaakte opeens een stuk minder sappig. Het zeekoe-vretende-monstertje raakten we maar niet kwijt. Van het strand ging hij met ons mee naar de vuurtoren, wachtte op ons bij het oversteken en liep mee naar de supermarkt. Onderweg werd het trio zelfs een kwartetje (Misschien heeft die aantrekkingskracht toch iets te maken met de geur van onze kleding?). Zo liepen Chris en ik hand in hand, met dichtgenaaide gaten in onze broeken, door de lege straten van La Serena. Met achter ons aan twee zwerfhonden en een zooitje vlooien.