Piranha’s vissen en verorberen, paardje rijden in de jungle, raften in Arequipa, de gevaarlijkste weg ter wereld afracen, alligators diep in de ogen kijken, diarree aanvallen proberen te overleven. En dat in een paar dagen tijd. Hello, we need vacation!

Na mijn paraglide vlucht, wilde Chris natuurlijk ook.
Na een paar dagen vertraging konden we Sucre (en ik de wc pot) verlaten. Met een buslading pillen in mijn backpack en samengeknepen billen stapte ik in de bus. Op naar La Paz! Als je ontevreden bent over de climatecontrol van Connexxion, maak dan eens deze rit. Die bus was één en al ventilatie, normaal is dat niet zo erg, maar op de enorme hoogtes waar wij ons bevinden is dat berekoud. Ik zat verstopt onder het AZ-dekentje (wat moeten we zonder) en Chris lag te verkleumen onder de dunne sarong met vier lagen kleren aan. Na verhalen van backpackers van berovingen in de bus kon ik ook maar moeilijk in slaap vallen. Bang dat ze mijn backpack onder mijn benen vandaan zouden grijpen als ik kwijlend tegen het raam lag te ronken. Maar na tien uur kwamen we veilig en verkleumd kwamen in La Paz. In die stad voelde ik voor het eerst van mijn leven een vreemde hand in mijn tas. Ik huppelde ‘s avonds door een drukke straat toen ik wat gefriemel aan mijn tas voelde. Ik draaide mij van schrik om en zag een man van mij weglopen. Al was er weinig te grijpen geweest voor hem, alleen een appel en een lamatas. Maar toch, jak.

‘Vers’ geperst!
In La Paz trotseerde Chris (vanaf nu wil hij Christiaan De Heldhaftige genoemd worden) met een mountainbike de Dead Road. Dat is de meest gevaarlijke weg ter wereld. Hij overwon kletterende watervallen, scheurde vlak langs angstaanjagende afgronden en denderde naar beneden op een ‘weg’ van rotsen en keien. Ik hield mij die dag bezig met belangrijkere zaken (of eigenlijk was ik gewoon te lui om zo’n eind te fietsen). Ik was voor het eerst één hele dag alleen. En dat is heel raar na vijf maanden op elkaars lip te leven. En wat doet een vrouw alleen? Winkelen, jodelahitie! Ik slenterde (of nouja, ik sleepte mijzelf omhoog door de steile straten) urenlang door de straatjes van La Paz. Ik kocht lamasokken, lamamutsen, lamasleutelhangers en lamatruien (speciaal voor Marissa gehe). Onze backpacks wegen nu allebei negentien kilo en barsten bijna uit hun voegen.
Je hebt in La Paz de beroemde ‘Witch market’. Ik had iets verwacht met Boliviaanse vrouwtjes met een pukkel op hun neus, een bezemsteel tegen de deurpost en duistere, dampende drankjes die daar door hun gebrouwen werden. Viel dat even tegen. Het was één straatje, met weer een overvloed aan souvenirs, waar oude vrouwtjes geluksamuletten, dode lamababyskeletjes (heel naar om te zien) en heilige beeldjes verkochten.
‘s Avonds aten we bij Luna y Sol, een restaurant dat bekend staat om haar Nederlandse menukaart. Na vijf maanden reizen snakken we naar een hoopje aardappelen met een kuiltje vol jus, een balletje ernaast en wat sperziebonen. We bestelden een pannenkoek met spek, een broodje kroket en een uitsmijter. Ze hadden er zelfs stamppot. Met elke hap die ik nam was ik een stukje dichter bij thuis.

Wie lang geen kroket eet, geniet het meest.
Chris wist mij na heel wat moeite en mooie woorden (‘Ik betaal’, ‘Ik kan geen nacht zonder je’ en ‘Dit mag je echt niet missen’) over te halen om mee te gaan naar de jungle, de Amazone van Zuid-Amerika. Om daar voor drie dagen de Pampas in te duiken. Ik had niet zo’n trek in weer een bestemming waar ik drie dagen niet kon douchen, tegen muggen moest vechten en in een vies bedje moest slapen. Maar niemand laat z’n eigen vent alleen, dus we stopten onze kleine backpacks vol (met Deet) en vertrokken met het kleinste vliegtuig dat ik ooit heb gezien naar Rurrenabaque. Er pasten maar twintig mensen in. Er was geen stewardess die voor ons haar veiligheidsdans deed of een lekker vliegtuigprakje voorschotelde. Zitten en vliegen, that’s all. We zaten op de voorste twee stoelen en konden de piloten hun werk zien doen. Nou, dat zie ik dus liever niet. Bij elk piepje zat ik rechtop in mijn stoel, greep mijn gordel stevig vast en hoopte voor het beste. Ondanks het gepiep was het een prachtige vlucht, vlak boven bergen met sneeuwtoppen, helderblauwe meertjes en eindigend boven een zee van groene bladeren. We hadden ook kunnen kiezen voor een (helse) busrit naar Rurrenabaque. Maar deze rit duurde 24(!) uur en was volgens de Lonely Planet koud, hobbelig en of je aankwam was ook maar de vraag (al had die busrit had wel negentig euro per persoon gescheeld).

Privé-jet Team Holland (met Marjolein & Charlotte)
Naast de landingsbaan lag er een modderig pad waar de bus op ons stond te wachten. Je kon er ook voor kiezen om op de motor naar de stad te gaan. Maar met een backpack van achttien kilo op mijn rug leek mij dat geen goed idee. Dan zou de motor na de eerste meters al gaan steigeren. De busrit naar het centrum leek wel een flashback naar onze weken in Azie. Koeien op de straat, zwaaiende kindertjes, kleine houten hutjes en palmbomen (‘Ik wil terug, ik wil terug!’). Het is zo vreemd dat de omgeving zo kan verschillen na één uur reizen. Zo liepen we in onze lange broeken en dikke jas door een bomvolle stad overladen met taxi’s die kriskras langs elkaar heen scheuren. En een uur later liepen we in de zon, zwetend door een klein stadje, naast een jungle vol apen en krokodillen.
Het regenseizoen zou normaal gesproken eind april over moeten zijn, maar natuurlijk niet als wij er zijn. De zandweg, die er normaal gesproken hoorde te zijn, was door de enorme regenval van de afgelopen dagen verdwenen. En veranderd in een portie modderige gatenkaas. Ik heb nog nooit zo’n weg gezien! Modderkuilen van een halve meter diep, een omgevallen truck omringt door uien die eruit waren gerold en mannen die met blote handen in de modder een jeep probeerden los te wrikken. De bus uit La Paz had zich een paar kilometer voor het centrum vast gereden in de modder. De busschauffeur stond met een klein schepje de modder rondom het voorwiel. De passagiers, locals en andere bestuurders stonden erbij en keken ernaar, en Chris maakte natuurlijk foto’s. Gelukkig hield de regen na de jeeprit op en konden de gele bananenponcho’s weer de backpack in.

Terwijl op 30 april iedereen z’n oude kleding, lampenkappen en servies verkocht op straat, prooste met vijf glazen bier in elke hand op de koningin en een oranje boa om zich heen wikkelde, zochten wij naar anagonda’s in de blubber. Ik heb dus niets met slangen en met blubber waar je tot je knieën inzakt. Na een half uur gaf ik de zoektocht met Anna (uit de V.S.) op en wachtten we tot de groepen weer terugkeerden, zonder één anagonda te hebben gezien. Lock (een stoere Aussie) was op een alligator gaan staan en gilde als een baby. Als ik had geweten dat die beesten in het riet verstopt zaten was ik nevernoway met mijn kaplaarsjes aan de zoektocht begonnen.

Wij bewijzen hoe sexy witte-lange-mouwen-shirts kunnen zijn.
We zijn ‘s avonds in het pikkedonker op zoek gegaan naar alligators (je ziet rode oogjes in het water naar je loeren). Hoe dichter bij we kwamen, hoe verder ik wegdook in mijn dekentje. Die bek, die tanden, die ogen, wat een prachtig maar verschrikkelijk eng beest. Chris heeft de volgende dag twee piranha’s gevangen, die dezelfde avond op ons bord belandden. Hij heeft de kaak met de vlijmscherpe tandjes losgewrikt en meegenomen als souvenir. We zagen in die drie dagen een kontkrabbende luiaard, huil apen, capibara’s, roze dolfijnen en de grootste vogel ter wereld.

De bedjes waren zoals ik had verwacht, een doorgezakt matras, gaten in de klamboes en er stond een leeg bed vol met muizenkeutels. Na vijf maanden zijn we gepromoveerd tot bed- en matrasexperts en kunnen we wel tegen een stootje.

Maar ze hadden daar wel de de achtertuin van mijn dromen. Elke ochtend voor het ontbijt stond ik te turen in de bomen hoe de kleine aapjes de lange staarten langzaam voor hun ogen wegtrokken en wakker werden. Met hun miniscule handjes sinasappelschillen tussen de composthoop vandaan haalden en leeghapten.

Maar ondanks de mooie beesten die we hebben gezien, hebben we een dubbel gevoel bij de trekking. Maar met het eten moet echt iets mis zijn geweest (zie Chris zijn ervaring hieronder). En ook onze gids zou daar per direct onslagen moeten worden. Op de derde dag zouden wij namelijk heel vroeg in de ochtend wakker gemaakt worden om de zonsopgang te zien, met rondspringende dolfijnen en alles. We hoorden dat de andere groep uit bed kwam en vertrok. Wij werden niet gewekt en vielen dus maar weer in slaap. Onze gids bleek bij de bar (een houten hotje volgestapeld met kratten bier) zich volgegoten te hebben met liters bier. Hij kwam pas om vijf uur in de ochtend terug was naar onze lodge en was toen te dronken om een boot te besturen. Pas om tien uur in de ochtend kon hij de kater aan (hij loog tegen ons dat hij diarree had) en nam hij ons mee naar de roze dolfijnen. Chris heeft het gedrag van onze gids gemeld bij het bedrijf waar we de tour geboekt hadden.Onze gids begon mans te doen tegen Chris dat hij drie dagen lang last van hem had gehad en dat het die ochtend slecht weer was voor de zonsopgangtrip. Zucht, sommige Bolivianen zijn kleine leugenaars en dat maat het reizen hier soms erg vermoeiend.

Zoek ali(gator)!
Als je nog wat kilo’s wil afvallen is Bolivia misschien (naast peperduur Australie) een perfecte bestemming. Je hoeft er niet zozeer weinig te eten. Neem gerust vijf ‘verse’ fruitsapjes op een dag, een groot stuk vlees of vis en een portie aardappelen. De bacteriën doen hun werk wel in je darmen. Christiaan kan er nu ook in geuren en kleuren over meepraten. Terug uit de Pampas voelde hij in Rurrenabaque raar geborrel in zijn buik. Dat geborrel leidde tot zijn personal record van 28 keer de wc te bezoeken. Wat normaal stevige drollen zijn, leek nu meer op een bruin waterballet (sorry, ‘show don’t tell’ hebben ze mij geleerd). Op dat soort moment ben je zo blij met een eigen wc op je kamer. Maar Chris moest zich loswrikken van zijn tijdelijke beste vriend, want de vlucht van Rurrenabaque terug naar La Paz moest gehaald worden. Hij hield met grote moeite de 45 minuten in de lucht vol, om daarna op het vliegveld een sprint te trekken naar de wc. Gered. Op het nippertje.
Esther en Gerrie (die we hebben leren kennen tijdens de Salt Flake tour) zijn ook bezweken onder het Boliviaanse voedsel. De oorzaak daarvan laat duidelijk zien dat hygiene niet hoog op de prioriteitenlijst staat van de Bolivianen (of ze hebben er gewoon echt geen verstand van). Esther had, voordat het darmenfeest begon, een vis gekocht op de markt die een paar dagen geleden gesloten was vanwege een ‘technische storing’. Wat bleek? De vriezers deden het drie dagen niet, de vis was ontdooid en daarna weer lekker ingevroren en weer lekker verkocht.
Van La Paz vertrokken we naar Copacabana. Dat stadje klinkt heel exotisch en warm, maar dat is het dus niet (die Copacabana ligt aan de kust bij Brazilie). Vanuit daar pakte we een bootje naar Isla del Sol, een eiland in het Lake Titicacameer. Dat is het hoogste meer ter wereld. We liepen van het zuiden, naar het noorden van het eiland. Ik huppelde als een jonge hinde over de heuvels, terwijl Chris al hijgend achter mij aan sjokte (meestal was het andersom). De hoogte en de diarree maakte van hem een oude man. Een prachtig eiland waar je omringt wordt door baaien met spiegelglad water, ezels bepakt met grote zakken, grazende lama’s, schapenhoedsters met bolhoedjes en kleurige doeken om zich heen gewikkeld.

Onderweg werden we opeens tegengehouden door vier, kleine kereltjes met twee nog kleinere lama’s op korte pootjes. Wilden we een foto, dan moesten we één Sol betalen. Kinderen zijn hier op hele jonge leeftijd al kleine handelaars. Chris heeft een prachtige foto gemaakt van een breedlachende Carlo (‘Say Keso’ Carlo!’) met zijn witte lama op korte pootjes. Die nacht sliepen we in een kamertje met het mooiste uitzicht dat we in de hele reis hebben gehad (in veel hostels hebben we geen raam of kijken we tegen een betonnen muur aan). De volgende ochtend was er niemand in het hostel te bekennen die ons geld in ontvangst kon nemen. Na wat ‘Hola’ en ‘Nou dan niet hoor’ vertrokken we. De eerste gratis nacht in vijf maanden!
We deden die avond ook nog snel even een tourtje naar de floating islands. Dat zijn drijvende (toeristen)eilanden in het Lake Titicacameer, aan de kant van Peru. Vroeger leefden daar de Uros, een Peruaanse stam. Vijftig jaar geleden is de laatste Uros man overleden en heeft een andere stam deze eilanden ingenomen, omdat ze geld roken. Alles hebben ze daar gemaakt van riet, zelfs de boten. Als je een bootritje wilde maken met de rieten boot werd je uitgezwaaid en toegezongen door drie gezellige Bolivaanse dames. Ik kwam niet meer bij toen ze opeens ‘Vamos a la playa’ in koor zongen en eindigen met ‘Hasta la vista baby’. Het is een bizar gezicht, de kleine dorpjes op het water, alleen een beetje jammer dat het op toerisme drijft.

In Arequipa kon ik mijn geluk niet op: ik bezocht een Peruaanse tandarts. Geen rottende tanden of verstandskiezen die getrokken moesten worden, maar een draadje achter mijn tanden was afgebroken. Na een dokter in Australië en Bolivia, een opticien in Nieuw Zeeland, kon een tandarts natuurlijk niet ontbreken in dit rijtje. En dat was een hilarische ervaring! Ik had verwacht dat ik in een viezig hutje op een klapstoel moest gaan zitten. Mijn mond open moest doen en er met prehistorisch boren, tangen en spuiten in mijn gebit gehakt zou worden. Niets van dit alles, het voelde net zoals thuis (denk ik, want ik ontwijk de tandarts al een paar jaar). De man sprak een paar woorden Engels, daarom regelde hij dat zijn zus via de telefoon mijn verhaal zou vertolken aan hem. Drie kwartier was hij aan het lijmen, peuren en pielen. ’Do you like your first day in Peru’. Wilt u een eerlijk of een leuk antwoord meneer de tandarts? ‘Uh, not really because I’m here with you sir’, antwoordde ik.

We zijn nu in Cuzco, de Peruaanse stad waar alle toeristen voor één ding komen: de Machu Picchu. Het voelt heel raar om over een paar dagen in de beroemde ‘verloren stad’ te zijn. Machu Picchu was toen we nog in Nederland waren het toefje op de enorme taart. En die taart is nu gewoon bijna helemaal op. Nog een paar happen en dan is het tijd om onze monden af te vegen en naar huis te komen…

Inca Kola. Smaakt naar kauwgomballen.